Tarieven winstbelastingen 2014
De tarieven en schijflengtes in de inkomstenbelasting en de   vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 zijn bekend. Voor de   vennootschapsbelasting zijn de tarieven en schijflengtes gelijk gebleven ten   opzichte van 2013.
Tarief inkomstenbelasting/premie   volksverzekeringen 2014 voor personen jonger dan de AOW-leeftijd:

belastbaar     inkomen meer dan niet meer     dan belastingtarief tarief     premie volksver-zekeringen totaal     tarief totale     heffing
€ 19.645        5,1% 31,15% 36,25% €       7.121
€ 19.645 € 33.363 10,85% 31,15% 42,00% € 12.882
€ 33.363 € 56.531 42,00% 42,00% € 22.612
€ 56.531 52,00% 52,00%

Tarieven vennootschapsbelasting in 2014 bij een winst van:

Meer dan maar niet     meer dan bedraagt     het percentage
€ 200.000 20,00%
€ 200.000 25,00%

In de komende aanvulling van uw Praktijkboek Onderneming & Fiscus vindt u   de geactualiseerde tarieven en bedragen voor 2014 op een rij.

 

Alleen VAR-winst onvoldoende voor ondernemersstatus
Hof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs benadrukt dat een   belastingplichtige geen vertrouwen kan ontlenen aan de kwalificatie van de   inkomsten die zijn neergelegd in de Verklaring arbeidsrelatie (VAR). Des te   meer als de inspecteur die kwalificatie in andere jaren niet heeft gevolgd.
In   deze zaak distribueerde en bezorgde een man dagbladen en lokale weekkranten   tegen een maandelijkse vaste vergoeding en een vergoeding per krant. Hij   stelde dat hij naar de normen van het maatschappelijke verkeer en het   spraakgebruik moest worden aangemerkt als ondernemer voor de   inkomstenbelasting. Hij wees ook op het feit dat hij steeds een VAR-winst en   een O-biljet ontving van de Belastingdienst. Ook stond hij ingeschreven in   het Handelsregister en bracht BTW in rekening aan zijn opdrachtgevers. Desondanks   wist hij de rechter niet ervan te overtuigen dat sprake was van   ondernemerschap. Het hof was het met de inspecteur eens dat de vergoedingen   aangemerkt moesten worden als resultaat uit overige werkzaamheden. Het was   voor de rechter onbegrijpelijk dat de man vertrouwen ontleende aan de   VAR-verklaringen. De inspecteur had de in de VAR neergelegde kwalificatie als   winst namelijk bij geen enkele aanslag gevolgd en ook voor de   belastingheffing had hij geen gevolg gegeven aan de uitgereikte O-biljetten.

 

Omvang bestelauto te gering voor goederenvervoer
Als een bestelauto alleen geschikt is voor goederenvervoer kan   de forfaitaire regeling voor het privégebruik van de bedrijfsauto achterwege   blijven. Een vuile en stinkende landrover met een geringe omvang, voldoet   volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet aan deze eis en dus is een onttrekking   vanwege privégebruik op zijn plaats.
De   desbetreffende landrover had een bestuurdersstoel en bijrijdersplaats met   daarachter een halfhoog schot. Aan de laadvloer was een gereedschapskist   bevestigd. Deze terreinauto met vierwielaandrijving behoorde tot het   ondernemingsvermogen van een man die een loon- en grondverzetbedrijf   exploiteerde. De vraag was of deze bestelauto door zijn aard of inrichting   alleen geschikt was voor goederenvervoer. De inspecteur meende dat de auto de   ondernemer voor privédoeleinden ter beschikking stond en nam daarom een   percentage van de waarde van de auto als onttrekking voor privégebruik in   aanmerking. Het hof zag geen reden om de door de inspecteur opgelegde   navorderingsaanslagen te vernietigen. De auto had namelijk het uiterlijk van   een normale terreinwagen en miste kenmerken die erop wezen dat die alleen   geschikt was voor goederenvervoer. De auto was gezien zijn geringe omvang   juist goed geschikt voor personenvervoer. De man had bovendien geen   rittenadministratie bijgehouden waarmee hij kon bewijzen dat hij de landrover   voor minder dan 500 kilometer privé had gebruikt.

 

Register Kort Beroepsonderwijs in tweeën gesplitst
Het Register Kort Beroepsonderwijs (RKBO) kent per   1 januari 2014 twee registers, het Docentenregister en het   Instellingenregister beroepsonderwijs. Onderwijsinstellingen en docenten doen   er goed aan te controleren of zij in het juiste register staan, zodat zij de   BTW-onderwijsvrijstelling kunnen (blijven) toepassen.
Met   ingang van 1 januari 2014 is het RKBO gesplitst in twee nieuwe registers,   namelijk het Docentenregister Beroepsonderwijs en het Instellingenregister   Beroepsonderwijs. Natuurlijke personen die beroepsonderwijs verzorgen aan   onderwijsinstellingen kunnen zich inschrijven in het Docentenregister   Beroepsonderwijs. Al het beroepsonderwijs dat aan onderwijsinstellingen wordt   verzorgd, is dan vrijgesteld van BTW. Sluit een natuurlijk persoon   rechtstreeks, voor eigen rekening en risico en op eigen verantwoordelijkheid,   met cursisten of zakelijke opdrachtgevers overeenkomsten af voor het   verzorgen van het beroepsonderwijs, dan is hij hierover wel BTW verschuldigd.   Het Instellingenregister Beroepsonderwijs is bedoeld voor zowel natuurlijke   personen als onderwijsinstellingen. Zij sluiten voor eigen rekening en risico   en op eigen verantwoordelijkheid met cursisten of zakelijke opdrachtgevers   overeenkomsten af voor het verzorgen van beroepsonderwijs. Al het verzorgde   beroepsonderwijs is dan vrijgesteld van BTW. Maar let op, wie in het   Instellingenregister Beroepsonderwijs staat, wordt automatisch ook   ingeschreven in het Docentenregister Beroepsonderwijs, tenzij men aangeeft   dit niet te willen.

 

Fiscus kan voor dezelfde feiten twee aanslagen opleggen
De Belastingdienst kan onder omstandigheden BTW naheffen die al   inbegrepen was in een eerder nog niet onherroepelijk vaststaande opgelegde   aanslag. In bepaalde gevallen kan de Belastingdienst zelfs BTW naheffen die   de belastingplichtige al heeft betaald. Dit blijkt uit de volgende zaak.
Deze   zaak was aangespannen door een fiscale eenheid (f.e.) BTW die   naheffingsaanslagen BTW kreeg opgelegd. De belasting die was begrepen in die   nieuwe naheffingsaanslagen zag op dezelfde feiten als de belasting die was   begrepen in de eerder opgelegde naheffingsaanslagen. De f.e had die oude   naheffingsaanslagen bovendien al betaald, maar ze had ook beroep aangetekend   tegen die aanslagen. De inspecteur vreesde dat hij de BTW van de eerste   naheffingsaanslagen zou moeten terugbetalen op basis van het Sopropé-arrest   van het Europese Hof. Om te voorkomen dat de belastingclaim door verjaring   zou komen te vervallen, besloot de inspecteur nieuwe naheffingsaanslagen op   te leggen aan de f.e. Wel had hij toegezegd de nieuwe aanslagen te zullen   vernietigen als de rechter de f.e. in het gelijk zou stellen. De rechtbank   oordeelde op basis van deze feiten en omstandigheden dat de inspecteur in   overeenstemming met de wet had gehandeld. Verder wees de rechter de f.e erop   dat de Belastingdienst ook BTW kan naheffen die ziet op een ambtshalve   verleende teruggaaf op een suppletieaangifte.

 

Controleer rekeningnummer op aangiftebiljet
De Belastingdienst doet sinds 1 december 2013 uitbetalingen van   zowel belastingteruggaven als toeslagen op slechts één rekeningnummer. En dat   rekeningnummer moet staan op naam van de belastingplichtige. Deze   handelswijze moet vervelende situaties zoals in de volgende zaak voorkomen.
De   belastingplichtige moet goed controleren of het rekeningnummer dat op het   aangiftebiljet staat vermeld correct is en moet dit zo nodig aanpassen. Als   de belastingplichtige geen wijziging doorgeeft, valt een uitbetaling op een   verkeerde rekening de Belastingdienst in principe niet te verwijten. Zo   luidde de beslissing van de Nationale ombudsman in een zaak waarbij de   Belastingdienst ruim € 2 miljoen op een ‘verkeerde’ rekening stortte. De   belastingplichtige in kwestie gebruikte tot het jaar 2000 een rekening die op   zijn naam en die van zijn ex-echtgenote stond. In 2000 gaf hij een wijziging   van zijn rekeningnummer door. In 2003 diende de man een door zijn gemachtigde   opgemaakte aangifte in, maar daarop stond weer het oude rekening vermeld.   Volgens de Nationale ombudsman betaalde de Belastingdienst bevrijdend. Het   deed er niet toe dat het rekeningnummer stond vermeld op een aangifte over   een ander jaar en waarvoor geen teruggaaf was te verwachten. De   Belastingdienst ging bij de uitbetaling uit van het rekeningnummer dat op het   meest recent ingediende aangiftebiljet stond.
Deel →